| Inleiding Om de straling van een object te verklaren had Max Planck (1858 - 1947) lang zitten spelen met de gangbare theorie dat licht uit golven bestaat. De oplossing kwam pas in 1900 toen hij als wanhoopsdaad een kwantumhypothese aannam, waarin het licht in ondeelbare porties werd uitgezonden, zogeheten quanten. Deze lichtquanten (fotonen) hebben een vaste hoeveelheid energie, die uitsluitend bepaald is door de frequentie (kleur) en een natuurkundige grootheid, de constante van Planck (E=hf). Albert Einstein gebruikte deze informatie om het foto-elektrische effect te verklaren. |
![]() |
![]() |
Het licht gaat door een plaat met 2 gaten (spleten), achter de openingen wordt het lichtschijnsel waargenomen op een scherm dat op enige afstand van de openingen is aangebracht. Op het scherm zijn elkaar afwisselende heldere en donkere strepen zichtbaar (interferentiebeeld). Als een van de beide openingen wordt afgedekt, zodat het licht alleen door de andere spleet gaat, verdwijnt het patroon van lichte en donkere strepen. |
| De enige mogelijkheid om dit probleem te vermijden is de golffunctie van het foton te zien als een waarschijnlijkheidsgolf en niet te zien als een concrete golf die zich door de ruimte voortplant. Vanaf het moment dat het foton wordt uitgestraald door de bron, tot het moment van detectie, kan alleen de waarschijnlijkheid worden berekend dat het foton op een bepaalde plek wordt aangetroffen. De waarschijnlijkheidsgolf vervalt op het moment van detectie van het deeltje. | ![]() |
![]() |
![]() |
|||